Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar.
Kerk Pervijze
schild Broederschap Vladyko Joan schild
Kerk Yanama
Webwinkel  

Sitemap | U bent hier > Orthodoxalia > HomilieŽn > Allerheiligen 2017

 

 

"Laten wij,
nu wij zulk een grote wolk van getuigen
rondom ons hebben,
afleggen alle last en de zonde.

(Hb. 12, 1)

 

Allerheiligen 2017

 

Geliefde broeders en zusters,

 

De Orthodoxe Kerk heeft het bijzondere gebruik om de eerste zondag na het heilig Pinksterfeest, waarbij wij de nederdaling van de Heilige Geest over de apostelen hebben meegevierd, en naar wij verhopen ook over onszelf, onmiddellijk de vruchten getoond worden van het werk van de Heilige Geest. Het gevolg van zijn werkzame aanwezigheid zijn de duizenden en duizenden en tienmaal tienduizenden mensen die het Koninkrijk der hemelen zijn binnengetrokken, omdat zij zich  door de Goddelijke Geest lieten leiden en omdat ze trouw zijn geweest aan hun Heer en God en Verlosser Jezus Christus.

 

“Er bestaat slechts één miserie…
geen heilige te zijn.” (Léon Bloy)

 

 

Er wordt wel gezegd dat de Kerk gesticht is op de dag van Pinksteren, maar deze uitspraak is niet adequaat, want ook de heiligen uit het Oude Verbond behoren tot de Kerk. U hoort toch ook hoe de apostel Paulus in zijn brief aan de Hebreeën een aantal zaken opsomt. Voor wie de geschiedenis van het uitverkoren volk, en dus de Bijbel kennen, zijn dat duidelijke referenties aan bepaalde personen uit de heilsgeschiedenis.

 

Daniël, Daniël
Vertrouw op God, Hij hoort je wel
Daniël, Daniël
Vertrouw op God, Hij hoort je wel

 

Als je in de kuil van de leeuwen ligt
Snoert Hij de muil van de leeuwen dicht
Al zien ze geel en groen
Ze kunnen je niks doen

 

Daniël...
Hoor je ze grommen, ze kijken zo woest
Hun tanden zijn al jaren niet gepoetst
Ze lusten je wel rauw
Maar God belooft je trouw

(Rikkert Zuiderveld)

 

 

Wanneer hij spreekt over degenen die de muil van de leeuwen hebben gesloten, is er geen twijfel mogelijk dat hij verwijst naar de wonderbare onder de profeten, de man van verlangen Daniël, die door de koning in de kuil werd geworpen waar hongerige leeuwen in afwachting waren van hun feestmaal. Maar de leeuwen werden mak als schapen, zodat zelfs de grote koning vol verbijstering Daniël hoorde antwoorden vanuit de leeuwenkuil.

 

Verder horen we dat sommigen werden doormidden gezaagd. De vraag is dan: Wie werd er doormidden gezaagd? Velen zullen het waarschijnlijk niet weten!
De evangelist onder de profeten, de heerlijke Jesaja, hij werd levend in tweeën, gezaagd.

 

“Je kunt geen halve heilige zijn;
 je moet een gehele heilige zijn
of helemaal geen heilige.”
(Theresia van Lisieux)

 

 

Dat Jeremia in een put werd geworpen en later gestenigd werd, daar kunnen we misschien wel inkomen. Met zijn eeuwig gelamenteer en zijn voortdurende aanklachten, met zijn defaitistische houding dat men zich moest overgeven aan de vijand werkte hij op de zenuwen, niet alleen van de heersende klasse en de priesters, maar eveneens van het gewone volk. Het leek allemaal zo negatief, zo voelde men het aan, maar dat komt voort uit he feit dat men niet echt luisterde en alleen hoorde wat als een boemerang op de profeet terugviel.

 


Bij de profeet Jesaja, de evangelist onder de profeten, is het helemaal anders. Het is een vreugdevol boek, het zijn blijde profetieën vol hoop, ja zelfs zekerheid op toekomst. Hoe verder we in zijn boek lezen, hoe duidelijker schetst hij ons de komende Christus en wat er met Hem zal gebeuren. Maar niettegenstaande al dat positieve wou het volk van Israël niet luisteren.

 

voorspeld en beschreven
door Jesaja gegeven
niet slechts theorie
maar zeven eeuw profetie

als een teken van de Heer
daalde Hij op ons neer
geboren Gods eigen Zoon
kwam bij ons, heel gewoon

van David de koning
een kribbe als woning
als mens, zo bijzonder
uit de maagd, wat een wonder

draagt Hij onze schuld
Jesaja's profetie vervuld
tussen God en mens herstel
onder de naam Immanuel.

 

 

Hij was een man van de adel, dus een chique meneer, die echter aangeraakt wordt door de Heilige Geest. Enige tijd later krijgt hij een visioen, waarvan wij nog altijd gebruik maken in de zangen van de Heilige Liturgie. Hij ziet Christus, gezeten op de verheven Troon, omringd door de Serafim, die met twee vleugels hun voeten bedekken, met twee hun aangezicht en met twee opwieken naar het Doel van hun verlangen, terwijl ze zonder ophouden roepend zingen: Heilig, Heilig, Heilig, God de Heer Sabaoth. En hier dringt de profeet door in de diepste theologie. Zoals de heilige Fulgentius zegt: “De profeet Jesaja zweeg niet over de Drieheid der personen en de eenheid van de natuur, aan hem geopenbaard toen hij de Serafim zag die riepen: Heilig, Heilig, Heilig, God de Heer Sabaoth. Daaarom waar het driemaal heilig wordt herhaald, daar is de Drieheid van de personen; waar slechts eenmaal gezegd wordt God, Heer Sabaoth, erkennen we de eenheid van de goddelijke natuur.” (Fulgentius van Ruspe)
En toen hij in zijn verbijstering  dit visioen aanschouwde, riep hij nederig uit, wee mij, ik ga ten onder, want mijn ogen hebben de Koning, de Heer der heerscharen gezien. En reeds op dat ogenblik ervaren we de zelfontlediging van het Goddelijk Woord en de dringende vraag van de Drieëne God: Wie zal Ik zenden en wie zal voor ons gaan.
Jesaja toont onmiddellijk zijn bereidheid en aanvaardt de taak om een Voorloper van Christus te worden.

 

“Alle honger die we hebben
naar liefde, eenheid en geluk
zijn ons door God geschonken
 om ons naar Hem te brengen.
Het verschil tussen een heilige
en de grootste zondaar
is waarheen ze gaan
om die honger te verzadigen.”
(Christopher West)

 

En deze nobele heer, bekleed met prachtige gewaden, trekt op een bepaald ogenblik zijn kleren uit en wordt, als ik het zo mag zeggen, een dwaas om Christus wil. Naakt rent hij door de straten van Jeruzalem en uit de woorden die de Geest hem te spreken geeft. En hoe bemoedigend klinkt dan niet zijn eerste profetie, nadat hij ons duidelijk heeft gemaakt hoe ziek aan zonden we wel zijn: Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; als waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol. (Jes. 1, 18) Hij begint met hoop en deze hoop loopt als een rode draad in het labyrint van ons leven, waardoor wij kunnen ontsnappen aan de cirkelgang van ons binnenwerelds denken.

 


Hoe teder en verdrietig klinkt niet het liefdeslied van God, die bedrogen is door Zijn geliefde, bedrogen door elke menselijke ziel, die wilde en oneetbare druiven voortbrengt: Ik wil van Mijn geliefde zingen, het lied van Mijn beminde over Zijn wijngaard. Mijn geliefde had een wijngaard, waarvoor Hij alles deed, maar de wijngaard werd wild en bracht wilde druiven voort.
Maar ook deze liederen kon het volk niet verdragen; dat voortdurende gezeur over God werd teveel. En wanneer de profeet dan over de Christus spreekt als de lijdende dienaar, geboren uit de maagd, valt het verwachtingspatroon van de natie in duigen. Ze willen geen Messias die veracht en van mensen verlaten was, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open. En nu drieduizend jaar later is het la niet veel beter. Christus’ naam wordt zoveel mogelijk verbannen uit onze maatschappij en zo mogelijk zelfs uit ons denken.


De media hebben het nu over ‘het offerfeest’, zowel vermeld op televisie als in de krant. Maar wie heeft op dezelfde televisie en in dezelfde kranten gelezen dat wij een week geleden het Pinksterfeest hadden? Wie heeft via deze media gehoord dat de Geest van God over de mens komt om hem de vaardigheid van de ware liefde te schenken? Het was… een grote STILTE! Wij zagen in onze maatschappij de profeten niet alleen middendoor, we begraven ze levend, daarbij denkend dat wij verder geëvolueerd zijn dan die man die 66 hoofdstukken volpraat over God en Gods visioen met de mensheid.

 

“Niemand van ons is heilig.
We kunnen allen beter.”
 (Marie Lu)

 

Ik hoor weleens de mensen zeggen om zich voor hun zonden te verontschuldigen: Ik ben geen heilige! Net alsof heiligen heel bijzondere burgers zijn, die niet uit de schoot van hun moeder zijn geboren, maar zo uit de hemel zijn gevallen. Zij zijn, net als wij, kleine mensjes, die in het gevecht tegen zichzelf groot geworden zijn met Gods hulp. Ze hebben zich gehecht aan Christus. Het zijn ook niet altijd degenen die opvallen.

 

 

Ik denk aan de heilige Isidora, het sloofje. Het is een simpele ziel, levend in een nonnenklooster. Omdat ze zo onbenullig leek, zo dachten haar medezusters, liet men haar de smerige karweitjes opknappen. Zo gaat het in de wereld, en zo gaat het soms ook in een klooster. Zonder morren of een klacht te uiten volbracht ze wat haat was opgelegd. Ze werd nooit opstandig, maar ze deed alles met een eindeloze liefde. Op een dag komt een oudvader, Pitirim, op bezoek, zeggend dat hij de grote heilige van het klooster wil eren. Vanzelfsprekend: grote consternatie onder de zusters. De hele rei met eerbiedwaardiger passeert de revue, te beginnen bij de hegoumena en de priorin. De oudvader zegt: Er moet nog iemand anders zijn! Men had Isidora niet eens gewaarschuwd, die braaf in de keuken bezig was met de schoonmaak. Uiteindelijk moest men wel de gekke Isidora halen en de oudvader Pitirim knielt voor haar neer en smeekt om haar heilige gebeden, verbijsterd door haar grote heiligheid.
Toen de medezusters dit zagen, vielen ze aan de voeten van de grijsaard neer en bekenden hoe zij elk op hun manier de heilige hadden verafschuwd. De ene vertelde dat ze smerig afwaswater over haar uitgoot, de andere dat ze haar met vuisten had geslagen en weer een ander hoe ze haar neusgaten vol mosterd had gesmeerd. Isidora kan tegen de plotselinge verering niet op en vlucht weg uit het klooster naar een verre plaats, waar ze haar leven beëindigde.

 

“Maar kunnen we dan niet leven
 alsof we altijd beminnen?
Dit is het wat heiligen en helden deden;
 dit en niets meer.”
(Maurice Maeterlick)

 

Het is niet door heldendaden dat men heilig wordt, de heiligheid begint in de kleine dingen en in de strijd van elke dag. Het dagelijks bidden, zijn taak verrichten zonder morren of klagen, in het aanvaarden van de dingen die op ons afkomen en God te danken voor al wat Hij ons schenkt. Dat is de wijze waarop wij, kleine christenen, de weg naar de heiligheid betreden. Niet altijd haken naar wat we niet hebben, maar dankbaar zijn voor wat we hebben en ons blijvend vasthechten aan het gebed, de kwast van het gewaad van Jezus Christus. En dit is echt niet zo’n moeilijke opdracht, want de Heer zelf zegt: Mijn juk is zacht en mijn last is licht.

 

Een man hoeft niet een engel te zijn
om heilig te worden.
(Albert Schweitzer)

 

O Jezus Christus, zachtmoedig en nederig van hart
Hoor mij aan
Bevrijd mij, Jezus...

 

Van het verlangen geliefd te worden;
Van het verlangen verheerlijkt te worden;
Van het verlangen geëerd te worden;
Van het verlangen geprezen te worden;
Van het verlangen verkoren te worden boven anderen;
Van het verlangen geraadpleegd te worden;
Van het verlangen goedgekeurd te worden;

 

Van de angst vernederd te worden;
Van de angst een berisping te ondergaan;
Van de angst vergeten te worden;
Van de angst uitgelachen te worden;
Van de angst onrechtvaardig behandeld te worden;
Van de angst verdacht te worden.

 

En Jezus, verleen mij de genade om te verlangen
Dat men anderen meer liefheeft dan mij,
Dat men anderen meer waardeert dan mij,
Dat anderen meer aanzien in de wereld zullen genieten dan ik,
Dat anderen gekozen worden, en ik opzij gezet,
Dat anderen geprezen worden en ik onopgemerkt blijf,
Dat men te allen tijd aan anderen de voorkeur geeft,
Dat anderen heiliger mogen worden dan ik,
Als ik maar zo heilig wordt als nodig is.
www.ilonkaterlouw.nl

 

 

Pervijze,11 juni 2017

 

 
Naar begin paginaNaar begin pagina

 

meer homilieŽn....

 

 

 
© copyright 2003 - Broederschap Aartsbisschop Joan - alle rechten voorbehouden